De grote doelen van het jaar
In het 4e leerjaar wordt wiskunde abstracter. De getallen groeien tot 10 000 en verder, kinderen leren cijferend vermenigvuldigen en delen, en maken echt kennis met breuken. Ook omtrek, rechte hoeken, vierhoeken en tijdsduur staan op het programma. De maaltafels moeten nu vlot zitten, want ze worden voortdurend gebruikt.
De precieze leerstof verschilt licht per school en per leerplan of methode. Gebruik dit overzicht als richtlijn en vraag de leerkracht naar de jaarplanning van de klas.
Getallen
Getallen tot 10 000 en soms tot 100 000. Ordenen, vergelijken, afronden. Eenvoudige breuken: benoemen, noteren, voorstellen en vergelijken. Een eerste kennismaking met kommagetallen via geld en meten.
Bewerkingen
Cijferend vermenigvuldigen met een getal van één cijfer, soms twee. Delen, ook met rest, en een start met cijferend delen. Hoofdrekenen met tientallen en honderdtallen (40 × 6, 2 400 : 6). Een breuk van een hoeveelheid. Schatten. Vraagstukken met meerdere stappen.
Meten en metend rekenen
Omtrek van figuren berekenen. Herleidingen van lengte (km, m, cm, mm). Tijdsduur berekenen. Gewicht en inhoud. Geld met kommagetallen.
Meetkunde
Rechte, scherpe en stompe hoeken. Evenwijdige en loodrechte lijnen. Vierhoeken indelen: vierkant, rechthoek, ruit, parallellogram, trapezium. Symmetrie.
Gegevensverwerking
Staafdiagrammen lezen en maken. Tabellen met gegevens.
Hoe verloopt het schooljaar?
September tot december: herhaling van de tafels, getallen tot 10 000, cijferend vermenigvuldigen. Januari tot maart: delen, breuken, omtrek. April tot juni: hoeken en vierhoeken, tijdsduur, staafdiagrammen, herhaling.
Wat kan je thuis doen?
Blijf de tafels en deeltafels kort herhalen. Verdeel pizza’s en repen chocolade om breuken te oefenen. Laat je kind tijdsduur berekenen bij uitstappen en de omtrek van de tuin meten. Lees ook breuken in het 4e leerjaar en hoofdrekenen in het 4e leerjaar.
Signalen om op te letten
Kent je kind de tafels nog niet vlot? Loopt het vast bij delen of breuken? Heeft het veel moeite met tijdsduur? Bespreek het met de leerkracht: in het 5e leerjaar bouwen kommagetallen en breuken hierop verder.
Weet je kind dit al? Tien vragen
- Hoeveel is 63 : 7?
- Hoeveel is 245 × 4?
- Rond 4 750 af op het honderdtal.
- Hoeveel is 3/4 van 20?
- Welke breuk is groter: 2/5 of 4/5?
- Wat is de omtrek van een rechthoek van 8 cm bij 5 cm?
- Herleid 3 km naar m.
- Is een hoek van 120° scherp of stomp?
- Een film begint om 14.15 uur en duurt 1 uur en 50 minuten. Wanneer eindigt hij?
- Hoeveel paar evenwijdige zijden heeft een rechthoek?
Oplossingen. 1. 9. 2. 980. 3. 4 800. 4. 15. 5. 4/5. 6. 26 cm. 7. 3 000 m. 8. Stomp. 9. 16.05 uur. 10. Twee.
Deze vragen geven een idee van wat op het einde van het jaar verwacht wordt. Ze vervangen geen evaluatie van de leerkracht.
Van het vorige naar dit leerjaar
In het 3e leerjaar leerden kinderen alle tafels en rekenden ze tot 1 000. In het 4e leerjaar worden die tafels gebruikt bij vermenigvuldigen en delen met grotere getallen, en bij breuken. Kinderen die de tafels nog niet vlot kennen, lopen in het 4e leerjaar vaak vast. Een korte dagelijkse herhaling blijft dus belangrijk.
Veelgemaakte fouten in het 4e leerjaar
- Bij delen de rest verkeerd interpreteren.
- 1/8 groter vinden dan 1/4.
- Tijdsduur berekenen alsof een uur 100 minuten telt.
- Omtrek en oppervlakte verwarren.
Een oefenweek als voorbeeld
Maandag: tafels en deeltafels. Dinsdag: breuken met een pizza of breukstroken. Woensdag: een gezelschapsspel met geld. Donderdag: een werkblad delen. Vrijdag: tijdsduur bij een tv-programma of uitstap. Telkens tien tot vijftien minuten.
Nog acht vragen
- Hoeveel is 8 × 7?
- Hoeveel is 72 : 9?
- Hoeveel is 40 × 6?
- Hoeveel is 2 400 : 6?
- Hoeveel is 1/5 van 35?
- Herleid 450 cm naar m.
- Hoeveel minuten duurt het van 9.40 uur tot 10.15 uur?
- Hoeveel rechte hoeken heeft een vierkant?
Oplossingen. 1. 56. 2. 8. 3. 240. 4. 400. 5. 7. 6. 4,5 m. 7. 35 minuten. 8. Vier.
Handig materiaal voor thuis
- Een tafelkaart voor wie het nog nodig heeft.
- Breukstroken of papier om te vouwen.
- Een geodriehoek en lat.
- Een klok en een tijdlijn voor tijdsduur.
- Een meetlint voor omtrek.
- Ruitjespapier.
Wiskunde in het dagelijks leven
Verdeel een pizza en vraag welk deel ieder krijgt. Bereken samen hoe lang een uitstap duurt of hoeveel tijd er nog is tot het einde van de film. Meet de omtrek van de tuin of de kamer. Laat je kind uitrekenen hoeveel vier tickets van 12 euro kosten. Zo komen delen, breuken, tijdsduur en omtrek in het dagelijks leven terug.
Samenwerken met de leerkracht
Vraag de leerkracht hoe delen en breuken in de klas aangepakt worden, welke voorstelling van breuken gebruikt wordt (cirkels, stroken of de getallenlijn) en waar je kind nog extra oefening nodig heeft.
Uitdaging voor sterke rekenaars
Sterke rekenaars kunnen breuken vergelijken met verschillende noemers, grotere getallen afronden en schatten, of een eigen staafdiagram maken van een onderzoekje in het gezin (wie eet het liefst welke groente?). Ook strategiespellen en rekenraadsels bieden uitdaging.
Een typisch vraagstuk
Een fietstocht begint om 13.45 uur en eindigt om 16.20 uur. Hoe lang duurde de tocht? Van 13.45 tot 14.00 is 15 minuten, van 14.00 tot 16.00 is 2 uur, van 16.00 tot 16.20 nog 20 minuten. Samen 2 uur en 35 minuten.
Een woord tot slot
Het 4e leerjaar is voor veel kinderen een overgangsjaar naar meer abstracte wiskunde. Blijf concreet werken waar het kan.
Extra oefenvragen
- Hoeveel is 7 × 9?
- Hoeveel is 56 : 8?
- Hoeveel is 30 × 8?
- Hoeveel is 3 600 : 4?
- Hoeveel is 2/3 van 21?
- Herleid 2,5 km naar m.
- Wat is de omtrek van een vierkant met zijde 12 cm?
- Hoeveel zijden heeft een trapezium?
Oplossingen. 1. 63. 2. 7. 3. 240. 4. 900. 5. 14. 6. 2 500 m. 7. 48 cm. 8. Vier.
Kort samengevat
Het 4e leerjaar brengt delen, breuken, grotere getallen, omtrek, hoeken en tijdsduur. Houd de tafels levendig, werk concreet bij breuken en gebruik een tijdlijn bij tijdsduur.
Werkbladen, spelletjes en meer lezen
Bekijk de werkbladen van het 4e leerjaar, de rekenspelletjes en lees ook oefeningen wiskunde 4e leerjaar en hoofdrekenen in het 4e leerjaar.
Veelgestelde vragen
Wat is nieuw in het 4e leerjaar?
Onder meer delen, eenvoudige breuken, getallen tot 10 000, omtrek, hoeken en tijdsduur.
Moeten de tafels nu gekend zijn?
Ja, ze worden voortdurend gebruikt bij vermenigvuldigen, delen en breuken.
Wat is moeilijk in het 4e leerjaar?
Voor veel kinderen delen, breuken en tijdsduur.
Wanneer leert mijn kind cijferend delen?
Meestal start dit in het 4e leerjaar en wordt het uitgebouwd in het 5e leerjaar.
Hoe help ik bij breuken?
Werk met echte voorwerpen, papier vouwen en breukstroken, en gebruik vaste woorden voor teller en noemer.
Hoe help ik bij tijdsduur?
Met een tijdlijn: eerst naar het volle uur springen, dan de rest optellen.
Wat is het verschil tussen omtrek en oppervlakte?
De omtrek is de lengte van de rand, de oppervlakte de grootte van de binnenkant.
Hoe lang moet mijn kind in het 4e leerjaar oefenen?
Tien tot vijftien minuten per dag is ruim voldoende.

