Oefeningen wiskunde 2e leerjaar: getallen tot 100, klok en meer
In het 2e leerjaar groeit de wiskunde snel. De getallen gaan tot 100, je kind leert rekenen over het tiental, de klok lezen en meten in meter. Het is ook het jaar waarin veel kinderen de eerste maaltafels leren. Hier lees je wat er op het programma staat, welke werkbladen je gratis kunt afdrukken en hoe je thuis gericht helpt.
Wat leert je kind in het 2e leerjaar?
- Getallen en rekenen: getallen tot 100 lezen, schrijven en splitsen in tientallen en eenheden; hoofdrekenen tot 100 (zoals +9 en −9); cijferend optellen; de eerste maaltafels.
- Meten: klok lezen (vol uur, half, kwart over, kwart voor), meten in cm en m.
- Meetkunde: vlakke figuren, zijden en hoekpunten, tekenen met de lat.
- Gegevensverwerking: sorteren en ordenen volgens een kenmerk.
De 8 thema’s met gratis werkbladen
- De getallen tot 100: tientallen en eenheden, vergelijken, de getallenlijn.
- Hoofdrekenen: +9 en −9: de handige weg via 10.
- Cijferend optellen: onder elkaar zetten en onthouden.
- Klok lezen: grote en kleine wijzer.
- Meten in cm en m: de juiste eenheid kiezen.
- Tekenen met de lat: een lijnstuk tekenen en meten.
- Vlakke figuren: zijden en hoekpunten tellen.
- Sorteren en ordenen: de indringer vinden.
Alle werkbladen staan samen op de pagina wiskunde 2e leerjaar.
Het struikelblok: de getallen tot 100
In het Nederlands spreken we de getallen « omgekeerd » uit. Bij 73 zeg je eerst « drie » en dan « zeventig », maar je schrijft eerst de 7. Daarom schrijven veel kinderen in het 2e leerjaar 37 als ze 73 bedoelen. Dat is heel normaal.
Wat helpt:
- Leg het getal met staafjes van 10 en losse blokjes. Het kind ziet dan meteen hoeveel tientallen er zijn.
- Laat je kind eerst de tientallen schrijven en daarna de eenheden, en het getal dan hardop lezen.
- Oefen met een honderdveld: welk getal staat onder 34? Welk getal staat ernaast?
Hoofdrekenen: slim rekenen via 10
In het 2e leerjaar leren kinderen handige strategieën. Een voorbeeld is +9: je doet +10 en dan −1. Zo wordt 34 + 9 eenvoudig: 34 + 10 = 44, min 1 = 43. Dezelfde truc werkt voor −9 (−10 en dan +1). Oefen zulke sommen elke dag een paar minuten, bijvoorbeeld in de auto of aan tafel. Het werkblad Hoofdrekenen: +9 en −9 legt het stap voor stap uit.
Klok lezen zonder stress
De klok is voor veel kinderen moeilijk, omdat « half drie » 2 u 30 betekent. Je zegt dus het volgende uur. Een paar tips:
- Werk met een echte klok met wijzers, niet alleen met een digitale klok.
- Begin met het volle uur, daarna half, daarna kwart over en kwart voor.
- Koppel het uur aan vaste momenten: om 7 uur opstaan, om half negen naar school.
Meten in de echte wereld
Laat je kind een meetlint gebruiken: hoe lang is de tafel? Hoe breed is de deur? Is een potlood langer of korter dan 20 cm? Zo leert het vanzelf dat je kleine dingen in cm meet en grote afstanden in m, en dat 1 m = 100 cm.
Online spelletjes en quiz
Voor elk thema is er een gratis online spel met tien vragen. Je kind kan bijvoorbeeld de klok lezen, getallen vergelijken of de indringer zoeken. De quiz hoofdrekenen op niveau 1 en 2 is ideaal om de sommen tot 100 te automatiseren.
Een weekplanning in 15 minuten per dag
- Maandag: les en werkblad niveau 1 van één thema.
- Dinsdag: het online spel van datzelfde thema.
- Woensdag: werkblad niveau 2, samen verbeteren met de oplossingen.
- Donderdag: vijf minuten quiz hoofdrekenen.
- Vrijdag: niveau 3 als uitdaging, of een spelletje naar keuze.
De eerste maaltafels
Veel scholen beginnen in het 2e leerjaar met de tafels van 2, 5 en 10. Die zijn het makkelijkst: de tafel van 2 is dubbelen, de uitkomsten van de tafel van 5 eindigen op 0 of 5 en bij de tafel van 10 zet je er een 0 achter. Leg uit dat vermenigvuldigen herhaald optellen is: 3 × 5 betekent 5 + 5 + 5. Laat je kind groepjes maken met knopen of blokjes, dan ziet het wat een maaltafel betekent voor het die van buiten leert. Het werkblad de maaltafels uit het 3e leerjaar is een goede volgende stap voor kinderen die er al klaar voor zijn.
Vraagstukken: lezen, tekenen, rekenen
In het 2e leerjaar krijgen kinderen de eerste echte vraagstukken. Vaak is niet het rekenen moeilijk, maar het begrijpen van de vraag. Een eenvoudige aanpak:
- Lees de opgave samen hardop.
- Teken wat er gebeurt: knikkers, kinderen in een bus, stukken taart.
- Kies de bewerking: komt er iets bij (+) of gaat er iets af (−)?
- Reken uit en schrijf een antwoordzin: « Sami heeft nu 54 stickers. »
Laat je kind ook zelf een vraagstuk bedenken bij een som, bijvoorbeeld bij 45 + 9. Wie zelf een verhaal kan maken bij een bewerking, begrijpt ze echt.
Wanneer extra hulp vragen?
Blijft je kind de cijfers van getallen tot 100 omdraaien na het eerste trimester, of telt het nog altijd op de vingers bij sommen tot 10? Bespreek het dan met de leerkracht. Soms is een beetje extra oefening genoeg, soms is er meer ondersteuning nodig.
Verder kijken? Lees ook oefeningen 1e leerjaar om de basis te herhalen, of oefeningen 3e leerjaar om vooruit te kijken.
Veelgestelde vragen
Wat leert een kind in wiskunde in het 2e leerjaar?
De getallen tot 100, optellen en aftrekken tot 100, de eerste maaltafels, klok lezen (vol uur, half, kwart), meten in cm en m, vlakke figuren en sorteren.
Hoe oefen ik de klok met mijn kind?
Gebruik een echte klok of een speelgoedklok. Begin met het volle uur, dan half, dan kwart over en kwart voor. Vraag tijdens de dag geregeld hoe laat het is.
Waarom zijn getallen zoals 73 moeilijk?
In het Nederlands zeg je eerst de eenheden (drie) en dan de tientallen (zeventig), maar je schrijft eerst de 7. Daardoor draaien kinderen de cijfers soms om.
Zijn de oplossingen ook gratis?
Ja, bij elk thema staan de oplossingen als gratis PDF.
