Wat is een cirkel?
Een cirkel is een gesloten, ronde lijn waarvan elk punt even ver van één vast punt ligt: het middelpunt. Dat maakt de cirkel anders dan een ovaal of ei, waar de afstand tot het midden verandert.
De onderdelen van een cirkel
- Middelpunt (M): het punt in het midden.
- Straal (r): de afstand van het middelpunt tot de cirkel.
- Diameter (d): een rechte lijn door het middelpunt, van de ene kant van de cirkel naar de andere.
- Omtrek: de lengte van de cirkel zelf.
Het belangrijkste verband: de diameter is twee keer de straal. Een cirkel met een straal van 4 cm heeft een diameter van 8 cm.
Een cirkel tekenen met de passer
- Zet de passer open tot de gewenste straal: meet de afstand tussen de punt en het potlood met je lat.
- Zet de punt stevig op het middelpunt.
- Draai de passer rond aan het handvat, zonder de opening te veranderen.
Krijgt je kind de cirkel niet gesloten? Laat het blad een kwartslag meedraaien. Moet je een cirkel tekenen met een diameter van 10 cm, zet de passer dan open op 5 cm.
De omtrek van een cirkel berekenen
Als je de omtrek van een cirkel deelt door de diameter, kom je altijd ongeveer 3,14 uit. Dat getal heet pi (π). Daaruit volgt de formule:
- Omtrek = diameter × 3,14
Een fietswiel met een diameter van 60 cm heeft een omtrek van 60 × 3,14 = 188,4 cm. Bij één volledige omwenteling rijdt de fiets dus ongeveer 1,88 m vooruit.
Ken je alleen de straal? Verdubbel die dan eerst: straal 5 cm, diameter 10 cm, omtrek 31,4 cm.
Ontdekken met een touwtje
Een mooie klasopdracht: meet met een touwtje de omtrek van ronde voorwerpen, zoals een blikje, een bord of een vuilnisemmer, en meet ook de diameter. Deel telkens de omtrek door de diameter. Kinderen komen steeds rond de 3 uit en ontdekken zo zelf het getal pi.
Veelgemaakte fouten
- Straal en diameter verwisselen: de straal maal 3,14 rekenen voor de omtrek. Vraag altijd: heb ik de diameter?
- De passer openzetten op de diameter in plaats van op de straal.
- Een diameter tekenen die niet door het middelpunt gaat. Dat is dan een koorde, geen diameter.
Oefeningen met oplossingen
- Een cirkel heeft een straal van 7 cm. Hoe groot is de diameter?
- Een cirkel heeft een diameter van 20 cm. Hoe groot is de omtrek?
- Een rond tafelblad heeft een straal van 50 cm. Hoeveel cm rand moet er rondom?
- De omtrek van een cirkel is 31,4 cm. Wat is de diameter?
- Op welke afstand moet je de passer openzetten om een cirkel met diameter 9 cm te tekenen?
Oplossingen. 1. 14 cm. 2. 20 × 3,14 = 62,8 cm. 3. Diameter 100 cm, omtrek 314 cm. 4. 31,4 : 3,14 = 10 cm. 5. 4,5 cm, de straal.
De oppervlakte van een cirkel
In het lager onderwijs ligt de nadruk op de omtrek, maar sommige methodes tonen in het 6e leerjaar ook de oppervlakte: oppervlakte = straal × straal × 3,14. Een cirkel met een straal van 10 cm heeft een oppervlakte van 10 × 10 × 3,14 = 314 cm². Let op: hier gebruik je de straal, niet de diameter. Laat kinderen de formule vergelijken met de omtrek, zodat ze de twee niet verwarren: de omtrek is een lengte in cm, de oppervlakte een vlak in cm².
Cirkels rondom ons
Wielen, klokken, munten, borden en pizza’s zijn rond. Waarom zijn wielen eigenlijk rond? Omdat elk punt van de rand even ver van de as ligt, rolt een wiel gelijkmatig zonder op en neer te bonken. Een vierkant wiel zou bij elke kwartdraai omhoog en omlaag gaan. Zo’n vraag zet kinderen aan het denken over de eigenschap die een cirkel uniek maakt: één vaste afstand tot het middelpunt.
Mooie figuren met de passer
Met de passer kun je meer dan losse cirkels. Teken een cirkel, zet de passerpunt op de rand en teken met dezelfde opening een boog. Herhaal dit rondom: je krijgt een bloem met zes blaadjes. Zulke rozetten oefenen het hanteren van de passer en tonen dat de straal precies zes keer op de omtrek past. Kinderen die moeite hebben met de passer kunnen eerst cirkels tekenen met een touwtje en een punaise.
Tips voor ouders en leerkrachten
Voor ouders: meet samen ronde voorwerpen in huis met een lintmeter: de omtrek van een pot, de diameter van een deksel. Deel de omtrek door de diameter en kijk of je in de buurt van 3,14 uitkomt.
Voor leerkrachten: laat leerlingen in groepjes een tabel invullen met omtrek en diameter van tien ronde voorwerpen en de verhouding berekenen. Bespreek waarom de uitkomsten niet exact 3,14 zijn: meetfouten zijn een mooi aanknopingspunt om over nauwkeurigheid te praten. Bied leerlingen met dyspraxie een passer met schroefwieltje aan.
Een vraagstuk uitgewerkt
"Een fietswiel heeft een diameter van 70 cm. Hoeveel volledige omwentelingen maakt het wiel op een afstand van 1 km?"
- Omtrek van het wiel: 70 × 3,14 = 219,8 cm, ongeveer 2,2 m.
- 1 km is 1 000 m.
- Aantal omwentelingen: 1 000 : 2,2 ≈ 454.
Antwoord: ongeveer 455 omwentelingen. Laat je kind eerst schatten: een wiel van ongeveer 2 m omtrek heeft ongeveer 500 omwentelingen nodig voor 1 km. De berekening bevestigt dat de schatting in de buurt lag. Zulke vraagstukken verbinden de cirkel met herleiden en delen, precies wat in het 6e leerjaar gevraagd wordt.
Cirkels en tijd
De wijzerplaat van een klok is een cirkel van 360°. In een uur draait de grote wijzer één volledige keer rond, de kleine wijzer maar een twaalfde deel. Een kwartier komt overeen met een kwart van de cirkel, dus 90°. Zo zie je dat de cirkel niet alleen in de meetkunde voorkomt, maar ook bij tijd en hoeken. Lees ook soorten hoeken en tijdsduur berekenen.
Werkbladen, spel en DYS-versie
Oefen met de werkbladen de cirkel (les, drie niveaus, oplossingen) en het spel de cirkel. De DYS-versie heeft grotere tekeningen en een stappenplan voor de passer, handig bij dyspraxie.
Lees ook omtrek en oppervlakte berekenen en spiegelsymmetrie.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen straal en diameter?
De straal gaat van het middelpunt naar de cirkel, de diameter gaat door het middelpunt van de ene kant naar de andere. De diameter is twee keer de straal.
Hoe bereken je de omtrek van een cirkel?
Vermenigvuldig de diameter met 3,14 (pi). Een cirkel met een diameter van 10 cm heeft een omtrek van 31,4 cm.
In welk leerjaar leer je de cirkel?
De onderdelen en de omtrek van de cirkel komen meestal aan bod in het 6e leerjaar.
Wat is pi?
Pi (π) is de verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel, ongeveer 3,14. Die verhouding is voor elke cirkel hetzelfde.
Hoe bereken je de oppervlakte van een cirkel?
Straal × straal × 3,14. Een cirkel met een straal van 10 cm heeft een oppervlakte van 314 cm².
Wat is een koorde?
Een lijnstuk dat twee punten op de cirkel verbindt. De diameter is de langste koorde: ze gaat door het middelpunt.

