Naar de inhoud
FRNL
Home›Artikels›Negatieve getallen met een kind met dyscalculie

Wiskunde begrijpen · Praktische gids

Negatieve getallen met een kind met dyscalculie

Negatieve getallen zetten op zijn kop wat je kind dacht te weten: −5 kleiner dan −2? Een kind met dyscalculie heeft concrete situaties, vaste beelden en korte stappen nodig.

Tekstgrootte
Ook in het FransLire en français
Mathia, de mascotte van ProfMathia

Begrijpen. Proberen. Uitleggen.

Bijgewerkt op 1 november 2026 · 6 minuten lezen

Waarom het verwarrend is bij dyscalculie

Tot nu toe leerde je kind dat 5 groter is dan 2. Bij negatieve getallen is het omgekeerd: −5 is kleiner dan −2. Voor een kind met dyscalculie, bij wie het getalbegrip al kwetsbaar is, kan die omkering erg verwarrend zijn. Daarbij komt de verwarring tussen het minteken van een aftrekking en dat van een negatief getal, en de moeite om zich op een getallenlijn te oriënteren. Het goede nieuws: met concrete situaties en een vast beeld wordt het begrip goed bereikbaar.

Eén vast beeld: de verticale thermometer

Kies één voorstelling en houd je eraan: een grote verticale thermometer van −10 tot +10, met een duidelijk gekleurde nul. Kleur boven nul rood (warm) en onder nul blauw (vriezen). Je kind begrijpt intuïtief dat het kouder wordt naarmate je lager gaat, dus dat het getal kleiner wordt. Hang de thermometer aan de muur en maak een kleintje voor op de bank.

De thermometer met schuifje

Maak een kartonnen thermometer met een rood lint dat kan schuiven. Je kind beweegt het lint op en neer volgens de opgave: “Het is 2 °C, de temperatuur daalt 5 graden.” Het daalt 5 streepjes, telt hardop en leest −3 °C af. De beweging vervangt het hoofdrekenen, en het passeren van nul wordt zichtbaar.

De lift

Teken een gebouw met verdiepingen: 3, 2, 1, gelijkvloers (0), daarna −1, −2, −3 voor de parking. Je kind verplaatst een poppetje: “Je bent op de 2e verdieping en gaat 4 verdiepingen naar beneden.” Het komt op −2. Die herkenbare situatie kun je ook echt naspelen in een gebouw met een ondergrondse parking.

Vaste woorden en kleuren

Gebruik altijd dezelfde woorden: “onder nul”, “boven nul”, “stijgen”, “dalen”. Schrijf negatieve getallen blauw en positieve rood op alle werkbladen. Lees −3 als “min drie” en leg uit dat dat streepje “onder nul” betekent. Die vaste houvast vermindert de mentale belasting.

Vergelijken zonder fouten

Om twee getallen te vergelijken, zet je kind ze op zijn thermometer en beantwoordt het één vraag: “Welk getal staat het laagst?” Het laagste is het kleinste. −5 staat lager dan −2, dus −5 < −2. Die ene regel, altijd gekoppeld aan het beeld, voorkomt de valkuil “5 is groter dan 2”.

Een verschil berekenen door stappen te tellen

Voor het verschil tussen −3 en 4 zet je kind zijn vinger op −3 en telt het de streepjes tot 4: 7 stappen. Het mag elke stap inkleuren. Een rekenregel is niet nodig: tellen op het beeld volstaat. Later merkt je kind zelf dat je eerst tot nul telt en dan verder.

Aangepaste oefeningen

  1. Toon −4 °C op je thermometer. Is dat boven of onder nul?
  2. Wat staat het laagst: −1 of −6?
  3. Het is 2 °C en de temperatuur daalt 5 graden. Verschuif het lint. Welke temperatuur?
  4. Hoeveel stappen tussen −3 en 4?

Oplossingen. 1. Onder nul. 2. −6. 3. −3 °C. 4. 7 stappen.

Weinig opgaven, altijd met de thermometer voor je.

Werkbladen aanpassen

  • Een verticale thermometer op elk werkblad.
  • Negatieve getallen blauw, positieve rood.
  • Eén vraag per regel, met veel ruimte.
  • Concrete situaties (weer, lift) in plaats van kale sommen.
  • Korte opdrachten met een opgelost voorbeeld.

Bekijk ook de aangepaste werkbladen voor dys.

Aanpassingen in de klas

Je kind kan zijn thermometer of verticale getallenlijn houden tijdens oefeningen en toetsen, meer tijd krijgen en lichtere werkbladen. Je beoordeelt het begrip (vergelijken, een temperatuur aflezen, een verschil tellen) in plaats van de snelheid. Bespreek die aanpassingen met de leerkracht. Lees ook hulpmiddelen bij dyscalculie.

Wat kunnen ouders doen?

Noteer in de winter elke ochtend de buitentemperatuur in blauw of rood op een kalender. Benoem in de parking de verdiepingen −1 en −2. Ga je naar de bergen of de kust, praat dan over hoogte boven en onder de zeespiegel. Zulke echte ervaringen geven betekenis aan negatieve getallen.

Een vaste oefensessie van tien minuten

Twee minuten de temperatuur van de dag aflezen en op de thermometer zetten; drie minuten verplaatsingen met het lint (stijgen, dalen); drie minuten met de getekende lift; twee minuten hardop zeggen wat je geleerd hebt. Kort, regelmatig en altijd op dezelfde manier opgebouwd: zo’n sessie stelt gerust en laat energie over om te begrijpen.

Het weerboekje

Laat je kind in de winter elke ochtend de temperatuur noteren in een boekje, blauw onder nul en rood erboven. Elke week zoekt het de koudste en de warmste dag en telt het het verschil op zijn thermometer. Die regelmatige activiteit, verbonden met het echte leven, installeert negatieve getallen zonder één werkblad.

Samenwerken met school

Spreek met de leerkracht af welke thermometer en welke kleuren gebruikt worden, zodat je kind overal dezelfde houvast vindt. Een heen-en-weerschriftje met wat gelukt is, helpt om de vooruitgang samen op te volgen. Wordt je kind begeleid door een logopedist, betrek die dan bij die keuzes.

Niet te snel gaan

In de lagere school is het doel: aflezen, vergelijken en verschillen tellen. Rekenregels met negatieve getallen komen in het secundair: die hoef je bij een kind met dyscalculie niet vooruit te nemen. Beter een stevig begrip van de thermometer dan een half begrepen regel.

Spelletjes om zonder stress te oefenen

Het liftspel met een dobbelsteen, een temperatuuroorlog waarbij de warmste kaart wint, of een parcours op een grote thermometer op de grond oefenen vergelijken en verplaatsen zonder werkblad. Vijf minuten volstaan, als je maar vaak speelt. Laat je kind in het begin geregeld winnen: zelfvertrouwen is de beste motor om te leren, zeker voor een kind met dyscalculie dat al vaak faalde bij wiskunde.

Een boekje met successen

Noteer elk succes (een juiste vergelijking, een goed geteld verschil) in een boekje: je kind ziet dat het vooruitgaat. Dat geeft moed om ook moeilijkere opdrachten aan te pakken.

Tot slot

Met één vast beeld, korte oefenmomenten en veel geduld worden negatieve getallen ook voor een kind met dyscalculie logisch.

Wanneer hulp vragen?

Blijft je kind ondanks het vaste beeld en de regelmatige oefening vastlopen, bespreek dat dan met de leerkracht of logopedist. Vaak zit het probleem dieper, bijvoorbeeld bij het getalbegrip, en is het nuttig om daar eerst aan te werken.

Samengevat

Eén vast beeld (de verticale thermometer), vaste kleuren, echte situaties en korte oefenmomenten: met die houvast begrijpt een kind met dyscalculie goed dat −5 kouder, dus kleiner, is dan −2.

Tot slot

Ga in het tempo van je kind: één goed begrepen begrip is meer waard dan verschillende die maar half zitten. Vier elke kleine stap vooruit, want zelfvertrouwen is bij dyscalculie minstens zo belangrijk als de leerstof zelf.

Meer lezen

Lees ook negatieve getallen: de aanpak, visuele oefeningen en dyscalculie in het 6e leerjaar.

Veelgestelde vragen

Waarom denkt mijn kind dat −5 groter is dan −2?

Omdat het toepast wat het van positieve getallen weet. De verticale thermometer toont dat −5 lager staat, dus kleiner is.

Welke voorstelling gebruik je?

Eén enkele, altijd dezelfde: een verticale thermometer met een goed zichtbare nul.

Moet je rekenregels leren?

In de lagere school niet: stappen tellen op de thermometer volstaat voor de gewone situaties.

Helpen kleuren?

Ja: blauw voor negatief, rood voor positief, zoals op een thermometer.

Hoe help je thuis?

Met het weer, de verdiepingen van een parking en de hoogte boven of onder de zeespiegel.

Moet je bewerkingen met negatieve getallen leren?

Niet in de lagere school: aflezen, vergelijken en verschillen tellen volstaat. De regels komen in het secundair.