Naar de inhoud
FRNL
Home›Artikels›Wiskundetaal: de woorden die je moet kennen

Wiskunde begrijpen · Praktische gids

Wiskundetaal: de woorden die je moet kennen

Som, product, quotiënt, noemer, omtrek, evenwijdig: wiskunde heeft een eigen taal. Wie de woorden kent, begrijpt de opdrachten veel beter.

Ook in het FransLire en français
Mathia, de mascotte van ProfMathia

Begrijpen. Proberen. Uitleggen.

Bijgewerkt op 31 oktober 2026 · 6 minuten lezen

Waarom wiskundetaal belangrijk is

Een kind kan goed rekenen en toch een opdracht niet oplossen, omdat het een woord niet begrijpt. Wat is het verschil tussen een product en een quotiënt? Wat betekent "de helft van het verschil"? Wiskunde heeft een eigen woordenschat, en die wordt in de hogere leerjaren steeds belangrijker, zeker bij toetsen en de eindtoets. Hieronder vind je de belangrijkste woorden per domein, met een korte uitleg en een voorbeeld. Gebruik ze als naslag of als oefenlijst. Voor de jongste kinderen is er een apart artikel over rekentaal: meer, minder, evenveel.

Bewerkingen

  • Som: de uitkomst van een optelling. De som van 4 en 5 is 9.
  • Verschil: de uitkomst van een aftrekking. Het verschil tussen 12 en 7 is 5.
  • Product: de uitkomst van een vermenigvuldiging. Het product van 6 en 7 is 42.
  • Quotiënt: de uitkomst van een deling. Het quotiënt van 20 en 4 is 5.
  • Rest: wat overblijft bij een deling. 17 : 5 = 3 rest 2.
  • Deeltal en deler: in 20 : 4 is 20 het deeltal en 4 de deler.
  • Termen en factoren: de getallen in een optelling zijn termen, in een vermenigvuldiging factoren.

Getallen

  • Even en oneven: deelbaar door 2 of niet.
  • Veelvoud: 24 is een veelvoud van 6.
  • Deler: 6 is een deler van 24.
  • Priemgetal: een getal met precies twee delers, zoals 7 of 13.
  • Plaatswaarde: de waarde van een cijfer volgens zijn plaats, zoals eenheden, tientallen en honderdtallen.
  • Afronden: een getal vervangen door een rond getal in de buurt.
  • Schatten: een uitkomst benaderen zonder precies te rekenen.
  • Dubbel en helft: twee keer zoveel en half zoveel.

Breuken, kommagetallen en procenten

  • Teller en noemer: in 3/4 is 3 de teller en 4 de noemer.
  • Gelijkwaardige breuken: breuken met dezelfde waarde, zoals 1/2 en 2/4.
  • Vereenvoudigen: teller en noemer door hetzelfde getal delen.
  • Gelijknamig maken: breuken dezelfde noemer geven.
  • Tiende, honderdste, duizendste: de plaatsen na de komma.
  • Procent: per honderd. 25 % = 25/100.
  • Korting: een vermindering van de prijs, vaak in procent.

Meten en metend rekenen

  • Omtrek: de lengte van de rand van een figuur.
  • Oppervlakte: de grootte van een vlak, in m², cm²…
  • Inhoud of volume: hoeveel ruimte iets inneemt, in m³, dm³, liter.
  • Herleiden: omzetten naar een andere eenheid.
  • Tijdsduur: de tijd tussen twee tijdstippen.
  • Bruto, netto, tarra: totaalgewicht, gewicht van de inhoud en van de verpakking.
  • Schaal: de verhouding tussen een tekening en de werkelijkheid.
  • Gemiddelde: de som van de waarden gedeeld door hun aantal.

Meetkunde

  • Evenwijdig: lijnen die elkaar nooit snijden.
  • Loodrecht: lijnen die elkaar snijden in een rechte hoek.
  • Hoek: recht (90°), scherp (kleiner dan 90°), stomp (groter dan 90°), gestrekt (180°).
  • Diagonaal: een lijnstuk tussen twee niet-naast-elkaar liggende hoekpunten.
  • Straal en diameter: de afstand van het middelpunt tot de cirkel, en twee keer die afstand.
  • Symmetrieas: een lijn die een figuur in twee spiegelbeelden verdeelt.
  • Zijvlak, ribbe, hoekpunt: de delen van een ruimtefiguur.
  • Vlakke figuur en ruimtefiguur: een figuur in het vlak (vierkant) of in de ruimte (kubus).

Gegevensverwerking

  • Tabel: gegevens in rijen en kolommen.
  • Staafdiagram: gegevens voorgesteld als staven.
  • Lijndiagram: een lijn die de verandering in de tijd toont.
  • Cirkeldiagram: delen van een geheel als taartpunten.
  • Gemiddelde: zie hierboven.
  • Venndiagram: overlappende cirkels om verzamelingen te ordenen.

Woorden in vraagstukken

In vraagstukken komen ook gewone woorden voor die een wiskundige betekenis hebben: per (per stuk, per persoon), elk, samen, overblijven, verdelen, keer zoveel, minstens, hoogstens, ongeveer. Bespreek ze met je kind en vraag telkens wat ze betekenen in de situatie. Lees meer in opdrachten goed lezen.

Hoe leer je wiskundetaal?

  • Gebruik de woorden zelf in het dagelijks leven: "Wat is het verschil tussen jouw leeftijd en die van je broer?"
  • Maak woordkaartjes met het woord, een uitleg en een voorbeeld.
  • Speel een woordenspel: een speler omschrijft een woord, de andere raadt het.
  • Laat je kind uitleggen wat een woord betekent, in eigen woorden.
  • Maak een eigen woordenboek per leerjaar, dat groeit door het jaar heen.

Oefeningen

  1. Wat is de som van 15 en 27?
  2. Wat is het product van 8 en 9?
  3. Wat is het quotiënt van 56 en 7?
  4. Wat is het verschil tussen 100 en 37?
  5. Wat is de noemer van 5/8?
  6. Hoe noem je lijnen die elkaar in een rechte hoek snijden?
  7. Wat is de omtrek van een vierkant met zijde 5 cm?
  8. Wat is het gemiddelde van 4, 6 en 8?

Oplossingen. 1. 42. 2. 72. 3. 8. 4. 63. 5. 8. 6. Loodrechte lijnen. 7. 20 cm. 8. 6.

Veelgemaakte verwarringen

  • Product en quotiënt: vermenigvuldigen en delen.
  • Omtrek en oppervlakte: rand en binnenkant.
  • Straal en diameter: de diameter is twee keer de straal.
  • Teller en noemer: boven en onder de breukstreep.
  • Veelvoud en deler: groot getal en klein getal.

Kort samengevat

Wiskundetaal is de sleutel tot het begrijpen van opdrachten. Leer de woorden per domein: bewerkingen, getallen, breuken, meten, meetkunde en gegevensverwerking. Gebruik ze in het dagelijks leven, maak woordkaartjes en laat je kind ze in eigen woorden uitleggen.

Wiskundetaal per leerjaar

1e en 2e leerjaar: meer, minder, evenveel, erbij, eraf, samen, verschil, dubbel, helft, vorm, links, rechts. 3e en 4e leerjaar: product, quotiënt, rest, maaltafel, breuk, teller, noemer, omtrek, rechte hoek, evenwijdig, loodrecht. 5e en 6e leerjaar: kommagetal, procent, gelijkwaardig, vereenvoudigen, oppervlakte, volume, gemiddelde, symmetrieas, straal, diameter, evenredig, schaal. Gebruik deze lijst als checklist: kent je kind de woorden van zijn leerjaar? Kan het ze in eigen woorden uitleggen?

Een spel: het wiskundewoord raden

Schrijf wiskundewoorden op kaartjes. Een speler trekt een kaartje en omschrijft het woord zonder het te noemen: "Het is de uitkomst van een vermenigvuldiging." De andere spelers raden: "Product!" Wie juist raadt, krijgt een punt. Dit spel oefent niet alleen de woorden, maar ook het verwoorden van wiskundige ideeën, een vaardigheid die bij vraagstukken en toetsen heel nuttig is.

Wiskundetaal en meertalige kinderen

Kinderen die thuis een andere taal spreken, kunnen extra moeite hebben met wiskundetaal. Geef extra aandacht aan de woorden, gebruik veel tekeningen en voorbeelden, en laat ze eventueel de woorden ook in hun thuistaal opschrijven. Zo leggen ze de link tussen het begrip en het Nederlandse woord.

Woorden in het dagelijks leven

Gebruik wiskundewoorden bewust thuis. "Wat is het verschil tussen 12 en 8 euro?" "Wat is het product als je drie zakjes van vier snoepjes hebt?" "Hoe groot is de omtrek van de tuin?" Zo worden de woorden vertrouwd, en ziet je kind dat ze ook buiten de klas nuttig zijn.

Een eigen woordenboek

Laat je kind een schriftje maken met per bladzijde een wiskundewoord, een uitleg en een tekening.

Meer lezen

Lees ook rekentaal: meer, minder, evenveel, opdrachten goed lezen en veelvouden en delers.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een som en een product?

Een som is de uitkomst van een optelling, een product de uitkomst van een vermenigvuldiging.

Wat is een quotiënt?

De uitkomst van een deling: het quotiënt van 20 en 4 is 5.

Wat is het verschil tussen omtrek en oppervlakte?

De omtrek is de lengte van de rand, de oppervlakte de grootte van de binnenkant.

Hoe leer je wiskundewoorden?

Door ze te gebruiken in het dagelijks leven, woordkaartjes te maken en ze in eigen woorden te laten uitleggen.