Wat moet je kind kunnen in het 3e leerjaar?
In het 3e leerjaar staan de maaltafels centraal. Op het einde van het jaar kent je kind meestal alle maaltafels tot 10 × 10, en de bijhorende deeltafels. Daarnaast rekent het met getallen tot 1 000: optellen en aftrekken met honderdtallen en tientallen (450 + 300, 720 − 50), plus en min 99 en 100, dubbels en helften van getallen tot 1 000. Ook rekenen met geld (euro en cent) en eenvoudige vraagstukken vragen vlot hoofdrekenen.
De belangrijkste strategieën
- Maaltafels met inzicht: de tafel van 4 is het dubbel van de tafel van 2, de tafel van 9 is tien keer min één keer.
- De wisseleigenschap: 3 × 8 = 8 × 3.
- Deeltafels uit de maaltafels: 42 : 6 = 7, want 7 × 6 = 42.
- Rekenen met honderdtallen: 400 + 300 is 4 honderd plus 3 honderd.
- Plus en min 99: plus 100, min 1.
- Splitsen bij grotere getallen: 356 + 200 = 556.
Oefeningen met oplossingen
- 7 × 6
- 8 × 4
- 9 × 7
- 42 : 6
- 56 : 8
- 450 + 300
- 720 − 50
- 365 + 99
- het dubbel van 250
- de helft van 840
Oplossingen. 1. 42. 2. 32. 3. 63. 4. 7. 5. 7. 6. 750. 7. 670. 8. 464. 9. 500. 10. 420.
Vraag bij elke oefening hoe je kind gerekend heeft: de strategie is minstens even belangrijk als het antwoord.
Spelletjes om hoofdrekenen te oefenen
Tafelbingo: bingokaarten met uitkomsten; jij roept sommen af. Kaartoorlog met vermenigvuldigen: draai twee kaarten om en vermenigvuldig; de grootste uitkomst wint. Zoem: tel om beurten en zeg "zoem" bij veelvouden van de tafel van de week. Het maaltafelspel op ProfMathia, zonder tijdsdruk zolang de tafels nog niet vastzitten.
Een dagelijkse routine
Elke dag vijf minuten maaltafels en vijf minuten ander hoofdrekenen. Werk per week aan één tafel: eerst met inzicht (roosters, tekeningen), dan automatiseren met spelletjes en flitskaartjes. Herhaal de vorige tafels regelmatig. Houd een tafelkaart bij waarop je kind kleurt wat het al kent.
Veelgemaakte fouten
- Tafels alleen in volgorde kennen: 7 × 6 lukt pas na 1 × 6 tot 6 × 6 op te zeggen. Oefen in willekeurige volgorde.
- 7 × 8 en 6 × 9 verwarren. Gebruik strategieën en ezelsbruggetjes.
- Bij 720 − 50 de verkeerde positie aftrekken: 220. Laat splitsen: 720 − 20 − 30.
Tips voor ouders
Overhoor de tafels in de auto of aan tafel, kort en speels. Laat je kind rekenen met geld: hoeveel kosten drie croissants van 1,20 euro? Gebruik ook de deeltafels in het dagelijks leven: 24 snoepjes verdelen over 6 kinderen. Prijs de vooruitgang: elke nieuwe tafel is een overwinning. Lees ook de maaltafels van 7, 8 en 9.
Maaltafels en hoofdrekenen samen
Maaltafels zijn geen doel op zich: ze zijn een hulpmiddel voor ander rekenwerk. Toon je kind hoe de tafels helpen bij grotere sommen: 4 × 30 = 4 × 3 tientallen = 12 tientallen = 120. 6 × 50 = 300. 80 : 4 = 20. Zo leert het dat de tafels ook werken met tientallen en honderdtallen, wat in het 4e leerjaar heel belangrijk wordt bij cijferend vermenigvuldigen en delen.
Een tweede reeks oefeningen
- 6 × 7
- 9 × 6
- 8 × 8
- 63 : 9
- 48 : 6
- 600 + 250
- 850 − 300
- 499 + 125
- 4 × 30
- 240 : 8
Oplossingen. 1. 42. 2. 54. 3. 64. 4. 7. 5. 8. 6. 850. 7. 550. 8. 624. 9. 120. 10. 30.
Hoofdrekenen in vraagstukken
Voorbeeld 1. Een schrift kost 3 euro. Juf koopt er 8. Hoeveel betaalt ze? 8 × 3 = 24 euro. Voorbeeld 2. 36 kinderen worden verdeeld in groepjes van 4. Hoeveel groepjes zijn er? 36 : 4 = 9. Voorbeeld 3. De school heeft 450 boeken en koopt er 200 bij. Hoeveel boeken zijn er nu? 450 + 200 = 650. Laat je kind telkens zeggen welke tafel of strategie het gebruikt.
Een plan van vier weken
Week 1: herhaling tafels van 2, 5 en 10, en nieuw: de tafel van 4 als dubbel van 2. Week 2: tafels van 3 en 6. Week 3: tafel van 9 met de strategie tien keer min één keer, en de deeltafels. Week 4: tafels van 7 en 8, plus hoofdrekenen met honderdtallen. Vijf minuten tafels en vijf minuten ander hoofdrekenen per dag.
Als hoofdrekenen moeilijk blijft
Lukt het niet om de tafels te onthouden, ga dan terug naar het inzicht met roosters en tekeningen. Laat een tafelkaart gebruiken bij ander werk, zodat je kind niet vastloopt bij delen of vraagstukken. Oefen één tafel tegelijk, zonder tijdsdruk. Lees ook maaltafels bij dyscalculie.
Hoofdrekenen in het dagelijks leven
Laat je kind uitrekenen hoeveel drie pakjes koekjes van 2 euro kosten, hoeveel wielen er zijn op zes fietsen of hoe je 24 snoepjes eerlijk verdeelt over vier kinderen. Ook bij het koken: twee keer 150 gram bloem is 300 gram. Zulke situaties tonen waarom de maaltafels nuttig zijn, en oefenen ze tegelijk.
En na het 3e leerjaar?
In het 4e leerjaar worden de maaltafels gebruikt bij vermenigvuldigen en delen met grotere getallen, bij cijferend rekenen en bij breuken. Een kind dat de tafels vlot kent, heeft een grote voorsprong. Lees verder in hoofdrekenen in het 4e leerjaar.
Nog meer oefenen
- 4 × 9
- 7 × 7
- 8 × 6
- 54 : 9
- 35 : 7
- 72 : 8
- 380 + 400
- 900 − 450
- 199 + 250
- 6 × 40
Oplossingen. 1. 36. 2. 49. 3. 48. 4. 6. 5. 5. 6. 9. 7. 780. 8. 450. 9. 449. 10. 240.
Hoofdrekenen of cijferen?
In het 3e leerjaar leert je kind ook cijferend optellen en aftrekken. Toch blijft hoofdrekenen belangrijk. Leer je kind kiezen: 450 + 300 reken je uit het hoofd, 467 + 286 zet je beter onder elkaar. Vraag bij elke som eerst: "Kan dit in je hoofd, of zet je het onder elkaar?" Die keuze maken is een vaardigheid op zich. En ook bij cijferen helpt hoofdrekenen: om de uitkomst vooraf te schatten en achteraf te controleren. Een leerling die weet dat 467 + 286 ongeveer 750 is, merkt meteen een fout op.
Werkbladen en spelletjes
Oefen verder met de werkbladen van het 3e leerjaar en het spel 3e leerjaar. Lees ook hoofdrekenen oefenen, hoofdrekenen optellen en oefeningen wiskunde 3e leerjaar.
Veelgestelde vragen
Welke maaltafels leert een kind in het 3e leerjaar?
Meestal alle maaltafels tot 10 × 10, met de bijhorende deeltafels.
Hoe leer je de maaltafels het best?
Eerst met inzicht, dan automatiseren met korte, dagelijkse oefeningen en spelletjes, in willekeurige volgorde.
Hoe ver rekent een kind uit het hoofd in het 3e leerjaar?
Met getallen tot 1 000, vooral met honderdtallen en tientallen.
Hoe reken je plus 99?
Tel 100 op en trek er 1 af.
Wat zijn deeltafels?
De omgekeerde maaltafels: 42 : 6 = 7, omdat 7 × 6 = 42.
Welke tafels zijn het moeilijkst?
Voor veel kinderen de tafels van 7, 8 en 9. Met strategieën blijven er maar weinig echt moeilijke sommen over.
Hoeveel tijd per dag voor de tafels?
Vijf minuten per dag volstaat, liefst in willekeurige volgorde en met spelletjes.
Hoe reken je 6 × 40 uit het hoofd?
Reken 6 × 4 = 24 en maak er tientallen van: 240.
Hoeveel tafels per week?
Eén nieuwe tafel per week is een goed tempo, met herhaling van de vorige tafels.

