Eerst begrijpen wat vermenigvuldigen is
Voor een kind de tafels vanbuiten leert, moet het begrijpen wat vermenigvuldigen betekent. 3 × 5 betekent drie keer vijf: drie groepjes van vijf, of 5 + 5 + 5. Toon het met voorwerpen: drie bordjes met elk vijf druiven, drie handen met vijf vingers, drie dozen met vijf eieren. Laat je kind de groepjes zelf leggen en tellen. Teken daarna roosters: drie rijen van vijf hokjes. Pas als dit idee duidelijk is, kan je overstappen op het vanbuiten leren. Een kind dat de betekenis begrijpt, kan een vergeten uitkomst altijd zelf terugvinden.
Waarom beginnen met 2, 5 en 10?
Deze drie tafels hebben duidelijke patronen en sluiten aan bij wat kinderen al kennen. De tafel van 2 zijn de dubbels. De tafel van 10 volgt de tientallen. De tafel van 5 hoort bij de vingers van een hand en bij geld (munten van 5 cent en briefjes van 5 euro). Wie deze tafels kent, heeft al een groot deel van alle tafels onder de knie, want dankzij de wisseleigenschap is 2 × 7 hetzelfde als 7 × 2.
De tafel van 2: de dubbels
2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20. Elke uitkomst is een dubbel: 2 × 6 is 6 + 6 = 12. Alle uitkomsten zijn even getallen. Tellen per 2 helpt: tel samen de trappen per twee, of spring per twee op een getallenlijn. Oefen met paren: hoeveel schoenen hebben 7 kinderen? 7 × 2 = 14.
De tafel van 10: de tientallen
10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90, 100. Elke uitkomst eindigt op 0, en het eerste cijfer is het getal waarmee je vermenigvuldigt: 10 × 7 = 70. Gebruik staafjes van tien of briefjes van 10 euro om het zichtbaar te maken. Deze tafel is voor de meeste kinderen de makkelijkste.
De tafel van 5: de helft van 10
5, 10, 15, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50. De uitkomsten eindigen afwisselend op 5 en 0. Een slim verband: de tafel van 5 is de helft van de tafel van 10. 5 × 8 is de helft van 10 × 8, dus de helft van 80 is 40. Ook de klok helpt: elk cijfer op de klok staat voor 5 minuten, dus 5 × 9 = 45 minuten.
De deeltafels
Bij elke maaltafel hoort een deeltafel. Als 5 × 4 = 20, dan is 20 : 5 = 4 en 20 : 4 = 5. Oefen ze samen met de maaltafels: "Hoeveel groepjes van 5 zitten er in 35?" Zo begrijpt je kind dat vermenigvuldigen en delen bij elkaar horen.
Een plan van drie weken
Week 1: de tafel van 10 en de tafel van 2, eerst met materiaal en tellen per 10 en per 2, dan in volgorde opzeggen en daarna door elkaar vragen. Week 2: de tafel van 5, met de klok en geld, en het verband met de tafel van 10. Week 3: alle drie de tafels door elkaar, plus de deeltafels. Elke dag vijf tot tien minuten. Houd een kaart bij waarop je kind de gekende sommen groen kleurt.
Oefeningen
- 2 × 7
- 5 × 6
- 10 × 4
- 2 × 9
- 5 × 9
- 10 × 8
- 5 × 3
- 2 × 6
- 20 : 2
- 35 : 5
- 60 : 10
- 45 : 5
Oplossingen. 1. 14. 2. 30. 3. 40. 4. 18. 5. 45. 6. 80. 7. 15. 8. 12. 9. 10. 10. 7. 11. 6. 12. 9.
Vraagstukjes
- Hoeveel vingers hebben 4 handen?
- Hoeveel wielen hebben 6 fietsen?
- Je hebt 7 briefjes van 10 euro. Hoeveel geld heb je?
- 30 snoepjes worden verdeeld over 5 kinderen. Hoeveel krijgt elk kind?
Oplossingen. 1. 20. 2. 12. 3. 70 euro. 4. 6.
Spelletjes
Tafelmemory: kaartjes met sommen en kaartjes met uitkomsten. Tellen per 2, 5 of 10: om beurten tellen, wie zich vergist, begint opnieuw. Tafelbingo: bingokaarten met uitkomsten, jij roept sommen af. Winkeltje: artikelen van 2, 5 of 10 euro, hoeveel kosten er 3? Het online spel maaltafels, zonder tijdsdruk.
Veelgemaakte fouten
- Alleen in volgorde kunnen opzeggen: 5 × 7 lukt pas na 5 × 1 tot 5 × 6. Vraag de sommen door elkaar.
- Vermenigvuldigen met optellen verwarren: 5 × 3 = 8. Ga terug naar groepjes leggen.
- Tijdsdruk te vroeg: snelheid komt pas als de tafel echt gekend is.
Tips voor ouders
Oefen kort en vaak: vijf minuten per dag, in de auto, aan tafel of in bad. Gebruik situaties uit het dagelijks leven: paren sokken, vingers, munten. Prijs elke tafel die vlot gaat. En vergelijk je kind nooit met anderen: elk kind leert de tafels op zijn eigen tempo.
Na de tafels van 2, 5 en 10
In het 3e leerjaar volgen de andere tafels. De tafel van 4 is het dubbel van de tafel van 2, de tafel van 3 en 6 horen bij elkaar, en de tafels van 7, 8 en 9 komen als laatste. Lees verder in maaltafels oefenen en de maaltafels van 7, 8 en 9.
Kort samengevat
Begin met begrijpen wat vermenigvuldigen is, gebruik de patronen van 2 (dubbels), 10 (tientallen) en 5 (de helft van 10), oefen ook de deeltafels en houd het kort, dagelijks en speels.
De wisseleigenschap ontdekken
Laat je kind een rooster van 2 rijen van 5 hokjes tekenen en daarna een rooster van 5 rijen van 2 hokjes. Tel telkens de hokjes: beide keren 10. Zo ontdekt het dat 2 × 5 en 5 × 2 dezelfde uitkomst geven. Dat halveert het werk: wie 2 × 7 kent, kent ook 7 × 2. Draai het rooster om, zodat je kind ziet dat het om dezelfde figuur gaat. Deze ontdekking is later heel nuttig bij de moeilijkere tafels.
Tafels en geld
Geld is een ideaal hulpmiddel voor deze tafels. Hoeveel is 6 munten van 2 euro? 12 euro. Hoeveel is 4 briefjes van 5 euro? 20 euro. Hoeveel is 7 briefjes van 10 euro? 70 euro. Speel winkeltje met prijzen van 2, 5 of 10 euro en laat je kind uitrekenen hoeveel meerdere artikelen kosten.
Een rijmpje of liedje
Veel kinderen onthouden de tafels beter met een ritme of liedje. Tel per 2 op het ritme van een gekend kinderliedje, of klap bij elk getal van de tafel van 5. Beweging en ritme helpen het geheugen, zeker bij jonge kinderen.
Kinderen met moeite
Lukt het niet, ga dan terug naar groepjes leggen en tellen. Gebruik een tafelkaart als steun bij andere oefeningen. Lees ook maaltafels bij dyscalculie.
Werkbladen en meer lezen
Oefen met de werkbladen maaltafels en maaltafels om af te drukken. Lees ook maaltafels met online spelletjes en hoofdrekenen in het 2e leerjaar.
Veelgestelde vragen
Welke maaltafels leer je in het 2e leerjaar?
Meestal de tafels van 2, 5 en 10.
Waarom beginnen met 2, 5 en 10?
Omdat ze duidelijke patronen hebben: dubbels, de helft van 10 en de tientallen.
Hoe leer je de tafel van 5?
Als de helft van de tafel van 10, met de klok of met geld.
Hoeveel tijd per dag?
Vijf tot tien minuten per dag, kort en speels.
Wat zijn deeltafels?
De omgekeerde maaltafels: 35 : 5 = 7, omdat 7 × 5 = 35.
Is de tafel van 10 de makkelijkste?
Voor de meeste kinderen wel: je zet gewoon een nul achter het getal.

