Wat moet je kind kunnen in het 2e leerjaar?
In het 2e leerjaar rekent je kind met getallen tot 100. Op het einde van het jaar kan het meestal: getallen tot 100 lezen, schrijven, ordenen en splitsen in tientallen en eenheden, optellen en aftrekken tot 100 met en zonder brug over het tiental, plus en min 9 en 10 vlot uitrekenen, dubbels en helften van getallen tot 100 berekenen, en de maaltafels van 2, 5 en 10 kennen. Ook geld tot 100 euro en de klok komen aan bod, waarbij hoofdrekenen een belangrijke rol speelt.
De belangrijkste strategieën
- Plus en min 10: het tiental verandert, de eenheid blijft: 34 + 10 = 44.
- Plus en min 9: plus 10 en min 1: 46 + 9 = 56 − 1 = 55.
- Rijgen: 38 + 25 = 38 + 20 + 5.
- De brug over het tiental: 47 + 6 = 47 + 3 + 3.
- Dubbels en helften: het dubbel van 35 is 70, de helft van 60 is 30.
- Aanvullen: van 68 naar 75 is 7.
Oefeningen met oplossingen
- 34 + 10
- 46 + 9
- 72 − 9
- 38 + 25
- 47 + 6
- 63 − 8
- het dubbel van 35
- de helft van 80
- 5 × 4
- 100 − 35
Oplossingen. 1. 44. 2. 55. 3. 63. 4. 63. 5. 53. 6. 55. 7. 70. 8. 40. 9. 20. 10. 65.
Vraag bij elke oefening hoe je kind gerekend heeft: de strategie is minstens even belangrijk als het antwoord.
Spelletjes om hoofdrekenen te oefenen
Honderdveldspel: leg een pion op een getal in het honderdveld en gooi een dobbelsteen: bij 1 tot 3 ga je zoveel vooruit, bij 4 tot 6 tien vooruit. Plus-9-race: start bij een getal en tel telkens 9 bij; wie het eerst boven 100 komt, wint. Winkeltje: artikelen met prijzen tot 50 euro, betalen en wisselgeld. Tafelmemory met de tafels van 2, 5 en 10.
Een dagelijkse routine
Tien minuten per dag, met een vaste opbouw: twee minuten opwarmen met iets wat lukt (dubbels of plus 10), vijf minuten werken aan de strategie van de week, drie minuten spel. Werk per week aan één strategie. Gebruik het honderdveld en staafjes van tien als steun.
Veelgemaakte fouten
- Bij plus 9 verkeerd compenseren: 46 + 9 = 46 + 10 + 1. Wie te veel optelt, moet terug.
- Tientallen en eenheden verwarren: 38 + 25 = 513. Gebruik staafjes en blokjes.
- Bij aftrekken met brug het kleinste van het grootste aftrekken: 63 − 8 = 65. Werk met de getallenlijn: terug naar 60, dan nog 5 terug.
Tips voor ouders
Laat je kind rekenen met geld in de winkel, de tijd tot een activiteit uitrekenen of de punten van een spel optellen. Speel spelletjes met dobbelstenen. Vraag regelmatig hoe het gerekend heeft, en toon dat er vaak meerdere goede manieren zijn. Kinderen die hun strategie kunnen uitleggen, rekenen later vlotter.
Het honderdveld
Een honderdveld toont de getallen van 1 tot 100 in tien rijen van tien. Het maakt patronen zichtbaar: een rij omlaag is tien meer, een vakje naar rechts is één meer. Bij 34 + 10 ga je één rij omlaag naar 44, bij 46 + 9 ga je één rij omlaag en één vakje naar links. Hang een honderdveld op en gebruik het bij het huiswerk: het helpt veel kinderen om de structuur van de getallen tot 100 te begrijpen.
Een tweede reeks oefeningen
- 53 + 10
- 67 + 9
- 81 − 9
- 45 + 36
- 58 + 7
- 74 − 6
- het dubbel van 45
- de helft van 70
- 10 × 7
- 90 − 45
Oplossingen. 1. 63. 2. 76. 3. 72. 4. 81. 5. 65. 6. 68. 7. 90. 8. 35. 9. 70. 10. 45.
Hoofdrekenen in vraagstukken
Voorbeeld 1. Een boek kost 18 euro en een strip 9 euro. Hoeveel kost alles samen? 18 + 9 = 18 + 10 − 1 = 27 euro. Voorbeeld 2. In de klas zitten 26 kinderen. 8 kinderen gaan naar de turnzaal. Hoeveel blijven er in de klas? 26 − 8 = 26 − 6 − 2 = 18. Voorbeeld 3. Een doos bevat 5 rijen van 4 eieren. Hoeveel eieren zijn dat? 5 × 4 = 20. Laat je kind een tekening maken en de strategie benoemen.
Een plan van vier weken
Week 1: plus en min 10 met het honderdveld. Week 2: plus en min 9 als plus 10 min 1. Week 3: optellen en aftrekken met brug over het tiental, met staafjes en blokjes. Week 4: dubbels en helften, en de tafels van 2, 5 en 10. Elke dag tien minuten, met een spelletje als afsluiter.
Als hoofdrekenen moeilijk blijft
Heeft je kind nog moeite met de getallen tot 20, ga dan eerst terug naar de splitsingen en de brug over 10 tot 20. Pas daarna breid je uit tot 100. Gebruik het honderdveld en staafjes van tien. Werk met kleine stapjes en veel succeservaringen. Lees ook hoofdrekenen in het 1e leerjaar.
Hoofdrekenen in het dagelijks leven
Laat je kind betalen in de bakkerij en het wisselgeld controleren, de tijd tot het vertrek berekenen ("we vertrekken om 9 uur, het is nu kwart voor") of de punten van een spel optellen. Vraag bij het boodschappen doen: "Twee pakken melk van 1 euro en een brood van 2 euro: hoeveel samen?" Kleine, echte vragen zijn de beste oefening.
En na het 2e leerjaar?
In het 3e leerjaar komen de maaltafels centraal te staan en rekent je kind tot 1 000. De strategieën van het 2e leerjaar, zoals rijgen, compenseren en de brug over het tiental, blijven belangrijk, maar dan met grotere getallen. Lees verder in hoofdrekenen in het 3e leerjaar.
Nog meer oefenen
- 29 + 30
- 56 + 19
- 83 − 19
- 64 + 28
- 91 − 7
- het dubbel van 26
- de helft van 52
- 2 × 9
- 5 × 7
- 10 × 9
Oplossingen. 1. 59. 2. 75 (56 + 20 − 1). 3. 64 (83 − 20 + 1). 4. 92. 5. 84. 6. 52. 7. 26. 8. 18. 9. 35. 10. 90.
Hoofdrekenen en de klok
Ook bij het klok lezen helpt hoofdrekenen: van kwart over drie tot half vier is een kwartier, van 10 uur tot kwart voor 11 is drie kwartier. Vraag regelmatig hoeveel tijd er nog is tot een activiteit.
Werkbladen en spelletjes
Oefen verder met de werkbladen van het 2e leerjaar en het spel 2e leerjaar. Lees ook hoofdrekenen oefenen, hoofdrekenen optellen en oefeningen wiskunde 2e leerjaar.
Veelgestelde vragen
Hoe ver rekent een kind in het 2e leerjaar?
Tot 100, met optellen en aftrekken met en zonder brug over het tiental.
Hoe reken je plus 9 uit het hoofd?
Tel 10 op en trek er 1 af: 46 + 9 = 56 − 1 = 55.
Welke maaltafels leert een kind in het 2e leerjaar?
Meestal de tafels van 2, 5 en 10.
Wat is rijgen?
Het eerste getal heel laten en het tweede in stukjes optellen: 38 + 25 = 38 + 20 + 5.
Wat is het verschil tussen rijgen en splitsen?
Bij rijgen laat je het eerste getal heel (38 + 20 + 5), bij splitsen splits je beide getallen (30 + 20 en 8 + 5).
Hoe oefen je met geld in het 2e leerjaar?
Speel winkeltje met prijzen tot 20 of 50 euro, laat je kind betalen en het wisselgeld berekenen.
Moet mijn kind al alle maaltafels kennen?
Nee, in het 2e leerjaar meestal alleen de tafels van 2, 5 en 10.
Hoe reken je min 19 uit het hoofd?
Trek 20 af en tel er 1 bij: 83 − 19 = 63 + 1 = 64.

