Naar de inhoud
FRNL
Home›Artikels›Hoofdrekenen aftrekken: 4 strategieën om vlot af te trekken

Wiskunde begrijpen · Praktische gids

Hoofdrekenen aftrekken: 4 strategieën om vlot af te trekken

Aftrekken uit het hoofd lijkt moeilijker dan optellen. Met vier slimme strategieën kies je telkens de snelste weg.

Ook in het FransLire en français
Mathia, de mascotte van ProfMathia

Begrijpen. Proberen. Uitleggen.

Bijgewerkt op 31 oktober 2026 · 6 minuten lezen

Waarom aftrekken lastig is

Veel kinderen vinden aftrekken moeilijker dan optellen. Bij optellen gaat alles vooruit; bij aftrekken moet je terug, en dat voelt minder natuurlijk. Bovendien proberen kinderen vaak uit het hoofd de cijferende methode na te doen, met lenen en al, wat het werkgeheugen zwaar belast. Hoofdrekenen werkt anders: je kiest een strategie die past bij de getallen. Wie vier strategieën kent en weet wanneer ze te gebruiken, rekent aftrekkingen sneller en met minder fouten. Belangrijk is dat je kind de strategieën begrijpt, niet alleen vanbuiten kent.

Strategie 1: terug via het tiental

Bij 43 − 7 ga je eerst terug naar het tiental: 43 − 3 = 40, en dan nog 4 terug: 40 − 4 = 36. Je splitst het getal dat je aftrekt (7 = 3 + 4) zodat je eerst op een mooi tiental uitkomt. Deze strategie is de basis van de brug over het tiental in het 2e leerjaar. Een getallenlijn waarop je de sprongen tekent, maakt ze zichtbaar.

Strategie 2: aanvullen of verschil zoeken

Liggen de twee getallen dicht bij elkaar, dan is aanvullen het snelst. Bij 62 − 58 tel je van 58 naar 62: dat zijn 4 stappen. Bij 1 003 − 997: van 997 naar 1 000 is 3, en tot 1 003 nog eens 3, samen 6. Je denkt dan niet aan "wegnemen", maar aan "hoeveel is het verschil?". Dit is ook de manier waarop een winkelier wisselgeld teruggeeft.

Strategie 3: afronden en compenseren

Trek je een getal af dat net onder een tiental of honderdtal ligt, rond het dan af. Bij 74 − 29 trek je eerst 30 af: 74 − 30 = 44. Je hebt 1 te veel afgetrokken, dus tel je die er weer bij: 45. Bij 523 − 198: 523 − 200 = 323, plus 2 = 325. Let op de richting van de correctie: wie te veel aftrekt, moet erbij tellen. Dat is voor veel kinderen tegenintuïtief, dus bespreek het met een voorbeeld met geld.

Strategie 4: splitsen in tientallen en eenheden

Bij 86 − 34 splits je het af te trekken getal: eerst 86 − 30 = 56, dan 56 − 4 = 52. Deze strategie werkt goed als er geen brug nodig is. Bij 86 − 37 kan het ook: 86 − 30 = 56, 56 − 7 = 49, maar dan moet je bij de tweede stap weer over het tiental. Sommige kinderen splitsen beide getallen (80 − 30 en 6 − 4), maar dat geeft problemen bij 86 − 37 (6 − 7). Leer daarom vooral het eerste getal heel te laten.

Welke strategie kies je?

  • Kleine getallen over het tiental: terug via het tiental (43 − 7).
  • Getallen dicht bij elkaar: aanvullen (62 − 58).
  • Een getal net onder een tiental of honderdtal: afronden en compenseren (74 − 29).
  • Andere gevallen: splitsen (86 − 34).

Laat je kind bij elke oefening eerst kiezen en uitleggen waarom. Die keuze is belangrijker dan de snelheid.

Een strategiekaart

Maak samen een kaartje met de vier strategieën en een voorbeeld bij elk. Leg het bij het oefenen op tafel. In het begin kijkt je kind er vaak op; na een paar weken kiest het vanzelf. Zo leert het denken als een goede rekenaar: eerst kijken, dan kiezen, dan rekenen.

Aftrekken met grotere getallen

Dezelfde strategieën werken met honderdtallen en duizendtallen. 730 − 60: terug via het honderdtal: 730 − 30 = 700, 700 − 30 = 670. 2 005 − 1 998: aanvullen, 7. 1 250 − 499: afronden, 1 250 − 500 = 750, plus 1 = 751. 4 800 − 1 300: splitsen, 4 800 − 1 000 = 3 800, 3 800 − 300 = 3 500.

Controleren met optellen

Elke aftrekking kan je controleren met een optelling: als 74 − 29 = 45, dan moet 45 + 29 = 74 zijn. Leer je kind deze controle aan. Het merkt zelf zijn fouten op en begrijpt beter dat optellen en aftrekken elkaars omgekeerde zijn.

Oefeningen

  1. 52 − 6
  2. 81 − 78
  3. 93 − 39
  4. 67 − 25
  5. 146 − 98
  6. 305 − 7
  7. 520 − 480
  8. 1 000 − 999
  9. 640 − 250
  10. 75 − 48

Oplossingen. 1. 46 (terug via 50). 2. 3 (aanvullen). 3. 54 (93 − 40 + 1). 4. 42 (splitsen). 5. 48 (146 − 100 + 2). 6. 298. 7. 40 (aanvullen). 8. 1. 9. 390. 10. 27 (75 − 50 + 2).

Vraag bij elke oefening welke strategie je kind koos. Er zijn vaak meerdere goede wegen.

Veelgemaakte fouten

  • Verkeerd compenseren: 74 − 29 = 74 − 30 − 1 = 43. Wie 1 te veel aftrekt, moet 1 bijtellen.
  • Het kleinste cijfer van het grootste aftrekken: 52 − 7 = 55, omdat 7 − 2 = 5. Gebruik de getallenlijn.
  • Tientallen en eenheden apart, met een "omgekeerde" aftrekking: 86 − 37 = 51. Laat het eerste getal heel.

Hoofdrekenen in het dagelijks leven

Hoeveel bladzijden moet je nog lezen in een boek van 120 bladzijden als je op bladzijde 87 bent? Hoeveel minuten nog tot het vertrek om 8.30 uur, als het nu 8.12 uur is? Hoeveel wisselgeld krijg je van 20 euro bij een aankoop van 13,50 euro? Stel zulke vragen tijdens het dagelijks leven: kort, zonder druk, en vraag hoe je kind het gedaan heeft.

Tip voor ouders

Oefen hoofdrekenen liever kort en vaak dan lang en zelden: tien minuten per dag levert meer op dan een uur in het weekend. Laat je kind hardop vertellen hoe het rekent, want wie zijn strategie kan uitleggen, heeft ze echt begrepen. Gebruik concreet materiaal zolang het nodig is, verbind de oefeningen met situaties uit het dagelijks leven en vier elke kleine vooruitgang. Werk samen met de leerkracht, zodat thuis en op school dezelfde woorden en strategieën gebruikt worden.

Kort samengevat

Aftrekken uit het hoofd gaat vlotter met vier strategieën: terug via het tiental, aanvullen, afronden en compenseren, en splitsen. Kies de strategie die past bij de getallen, controleer met een optelling en oefen kort en regelmatig.

Aftrekken met kommagetallen

In het 5e en 6e leerjaar komen dezelfde strategieën terug met kommagetallen. 5 − 1,8: afronden en compenseren, 5 − 2 = 3, plus 0,2 = 3,2. 7,3 − 6,9: aanvullen, van 6,9 naar 7 is 0,1, naar 7,3 nog 0,3, samen 0,4. 10 − 3,75: aanvullen, van 3,75 naar 4 is 0,25, naar 10 nog 6, samen 6,25. Wisselgeld teruggeven is eigenlijk precies dit. Laat je kind daarom vaak met geld rekenen: het voelt meteen of een antwoord logisch is.

Een oefenroutine van vijf minuten

Kies elke dag één strategie. Geef vijf aftrekkingen die daarbij passen en laat je kind ze hardop oplossen. Bespreek daarna één som waarbij een andere strategie sneller was geweest. Na een week kies je een nieuwe strategie, en elke vrijdag mag je kind zelf kiezen. Zo bouwt het een stevige gereedschapskist op.

Werkbladen en meer lezen

Oefen met de werkbladen hoofdrekenen plus 9 en min 9 en eenvoudige aftrekkingen. Lees ook hoofdrekenen oefenen, hoofdrekenen optellen en aftrekken met lenen.

Veelgestelde vragen

Hoe trek je vlot af uit het hoofd?

Met strategieën zoals terug via het tiental, aanvullen, afronden en compenseren, en splitsen.

Wanneer gebruik je aanvullen?

Als de twee getallen dicht bij elkaar liggen, zoals 62 − 58.

Hoe werkt afronden en compenseren?

Bij 74 − 29 trek je 30 af en tel je 1 terug bij, omdat je 1 te veel hebt afgetrokken.

Hoe controleer je een aftrekking?

Tel het resultaat op bij het getal dat je aftrok: je moet het eerste getal terugkrijgen.

Moet mijn kind alle strategieën kennen?

Twee of drie goed begrepen strategieën zijn al een grote hulp. Breid geleidelijk uit.