Wat is meten?
Meten is vergelijken met een afgesproken eenheid. De lengte van een tafel meten betekent nagaan hoeveel keer een meter of centimeter erin past. In de lagere school leren kinderen verschillende grootheden meten: lengte, gewicht (massa), inhoud, oppervlakte, volume, tijd, geld en temperatuur. Daarbij leren ze ook schatten, herleiden en rekenen met maten. Meten is een van de meest praktische onderdelen van wiskunde: kinderen gebruiken het elke dag, in de keuken, in de winkel en bij het sporten.
Lengte
Eenheden: kilometer (km), hectometer (hm), decameter (dam), meter (m), decimeter (dm), centimeter (cm), millimeter (mm). Elke eenheid is tien keer groter dan de volgende. Referentiematen: een deur is ongeveer 2 m hoog, een vinger ongeveer 1 cm breed, een stap ongeveer 60 cm, een kilometer ongeveer 12 minuten wandelen. Meetinstrumenten: lat, meetlint, rolmeter.
Gewicht (massa)
Eenheden: ton (t), kilogram (kg), gram (g), milligram (mg). 1 t = 1 000 kg, 1 kg = 1 000 g. Referentiematen: een pak suiker weegt 1 kg, een appel ongeveer 150 g, een volwassene ongeveer 70 kg. Meetinstrumenten: keukenweegschaal, personenweegschaal, balans. Lees ook bruto, netto en tarra.
Inhoud
Eenheden: liter (l), deciliter (dl), centiliter (cl), milliliter (ml). 1 l = 10 dl = 100 cl = 1 000 ml. Referentiematen: een brik melk bevat 1 l, een glas ongeveer 20 cl, een blikje 33 cl, een koffielepel ongeveer 5 ml. Meetinstrumenten: maatbeker, maatcilinder.
Oppervlakte
Eenheden: vierkante kilometer (km²), hectare (ha), are (a), vierkante meter (m²), vierkante decimeter (dm²), vierkante centimeter (cm²). Bij oppervlakte is elke eenheid honderd keer groter dan de volgende: 1 m² = 100 dm² = 10 000 cm². Referentiematen: een blad papier is ongeveer 6 dm², een klaslokaal ongeveer 60 m², een voetbalveld ongeveer 0,7 ha. Lees ook omtrek en oppervlakte.
Volume
Eenheden: kubieke meter (m³), kubieke decimeter (dm³), kubieke centimeter (cm³). Bij volume is elke eenheid duizend keer groter: 1 m³ = 1 000 dm³. Het verband met inhoud: 1 dm³ = 1 liter, 1 cm³ = 1 ml. Een kubus van 10 cm op 10 cm op 10 cm bevat precies een liter. Lees ook volume berekenen.
Tijd
Eenheden: eeuw, jaar, maand, week, dag, uur, minuut, seconde. 1 uur = 60 minuten, 1 minuut = 60 seconden, 1 dag = 24 uur. Opgelet: tijd is niet decimaal. Een uur en een half is 90 minuten, niet 150. Lees ook klok leren lezen en tijdsduur berekenen.
Geld
Eenheden: euro en cent. 1 euro = 100 cent. Muntstukken van 1, 2, 5, 10, 20 en 50 cent en 1 en 2 euro; biljetten van 5, 10, 20, 50 euro en meer. Geld is een ideale brug naar kommagetallen: 2,75 euro is 2 euro en 75 cent. Lees ook betalen en wisselgeld.
Temperatuur
Eenheid: graden Celsius (°C). Water bevriest bij 0 °C en kookt bij 100 °C. Onze lichaamstemperatuur is ongeveer 37 °C. Temperaturen onder nul zijn negatieve getallen, een voorbereiding op het secundair.
Herleiden
Om van de ene eenheid naar de andere te gaan, gebruik je een herleidingstabel. Bij lengte, gewicht en inhoud één cijfer per kolom, bij oppervlakte twee en bij volume drie. Naar een kleinere eenheid wordt het getal groter, naar een grotere eenheid kleiner. Lees meer in herleiden.
Schatten met referentiematen
Referentiematen helpen om te schatten en om antwoorden te controleren. Een kamer van 400 m², een glas van 2 liter of een kind van 30 kg op 1 meter? Wie referentiematen kent, ziet meteen of een antwoord kan kloppen. Laat je kind zijn eigen referentiematen opbouwen: zijn lengte, zijn gewicht, de lengte van zijn stap, de inhoud van zijn drinkfles.
Oefeningen
- Herleid 3,5 km naar m.
- Herleid 2 500 g naar kg.
- Herleid 75 cl naar l.
- Herleid 2 m² naar dm².
- Hoeveel liter is 3 dm³?
- Hoeveel minuten is 2 uur en 15 minuten?
- Je betaalt 7,40 euro met 10 euro. Hoeveel krijg je terug?
- Schat: hoe hoog is een volwassene ongeveer?
Oplossingen. 1. 3 500 m. 2. 2,5 kg. 3. 0,75 l. 4. 200 dm². 5. 3 l. 6. 135 minuten. 7. 2,60 euro. 8. Ongeveer 1,70 m.
Kort samengevat
In de lagere school leer je meten met lengte, gewicht, inhoud, oppervlakte, volume, tijd, geld en temperatuur. Ken de eenheden en hun verband, gebruik een herleidingstabel en bouw referentiematen op om te schatten en te controleren.
Meten in het dagelijks leven
Meten is een van de meest praktische vaardigheden. Laat je kind meten in de keuken (bloem afwegen, melk afmeten), in huis (de lengte van de tafel, de oppervlakte van een kamer), bij het sporten (de tijd van een loopje, de afstand van een fietstocht) en in de winkel (prijzen per kilo of per liter vergelijken). Hoe vaker je kind meet in echte situaties, hoe beter het referentiematen opbouwt en hoe makkelijker herleidingen worden.
Meten per leerjaar
1e en 2e leerjaar: lengtes vergelijken en meten in cm en m, de klok lezen, geld tot 100 euro. 3e leerjaar: gewicht in g en kg, inhoud in l, geld met cent. 4e leerjaar: omtrek, tijdsduur, herleidingen van lengte. 5e leerjaar: oppervlakte, herleidingen van gewicht en inhoud. 6e leerjaar: volume, herleidingen van oppervlakte en volume, schaal, bruto en netto.
Veelgemaakte fouten
- Bij oppervlakte en volume dezelfde factor gebruiken als bij lengte.
- Tijd decimaal behandelen: 1,5 uur is 90 minuten.
- De eenheid vergeten in het antwoord.
- Niet controleren met een referentiemaat.
Een meetspel
Schat samen de lengte, het gewicht of de inhoud van voorwerpen in huis, en meet daarna. Wie het dichtst zit, krijgt een punt. Hoe lang is de tafel? Hoeveel weegt een appel? Hoeveel water past in de gieter? Zo bouwt je kind referentiematen op, op een speelse manier.
Herleiden met een tabel
Een herleidingstabel met kolommen voor elke eenheid maakt herleiden overzichtelijk. Schrijf het getal in de tabel, met de eenheid op de juiste plaats, en lees het af in de gevraagde eenheid. Vul lege vakjes aan met nullen. Bij oppervlakte gebruik je twee kolommen per eenheid, bij volume drie. Een gelamineerde tabel kan je kind altijd opnieuw gebruiken.
Meten met dyscalculie
Kinderen met dyscalculie hebben vaak moeite met herleidingen en met het schatten van maten. Laat een herleidingstabel als hulpmiddel gebruiken, werk veel met echte voorwerpen en bouw samen een lijst met referentiematen. Lees ook hulpmiddelen bij dyscalculie.
Werkbladen en meer lezen
Oefen met de werkbladen meten in cm en m, gewicht, oppervlakte en herleidingen en volume. Lees ook herleiden en volume berekenen.
Veelgestelde vragen
Welke grootheden leer je meten in de lagere school?
Lengte, gewicht, inhoud, oppervlakte, volume, tijd, geld en temperatuur.
Hoeveel liter is een kubieke decimeter?
Precies 1 liter.
Waarom is tijd lastig om te herleiden?
Omdat tijd niet decimaal is: een uur heeft 60 minuten, niet 100.
Wat zijn referentiematen?
Bekende maten uit het dagelijks leven, zoals een deur van 2 m of een pak suiker van 1 kg, om te schatten.
Hoe herleid je oppervlakte?
Met twee kolommen per eenheid in de herleidingstabel: 1 m² = 100 dm² = 10 000 cm².
Wat is het verband tussen liter en dm³?
1 liter is precies 1 dm³.
Hoe help je een kind met dyscalculie bij meten?
Met een herleidingstabel als hulpmiddel, veel echte voorwerpen en een lijst met referentiematen.
Wat is het verschil tussen inhoud en volume?
Inhoud geeft aan hoeveel vloeistof erin past (liter), volume hoeveel ruimte iets inneemt (m³, dm³). 1 dm³ = 1 liter.

