Waarom rekenen tot 20 zo belangrijk is
In het 1e leerjaar leren kinderen optellen en aftrekken tot 10, en daarna tot 20. Wie deze sommen vlot en met inzicht beheerst, heeft later minder moeite met hoofdrekenen, cijferen en de maaltafels. Het doel is niet alleen snel antwoorden, maar ook kunnen uitleggen hoe je aan het antwoord komt.
Eerst splitsen tot 10
Alles begint bij getallen splitsen. Een kind dat weet dat 7 bestaat uit 5 en 2, of uit 3 en 4, kan later veel sneller rekenen. Oefen de splitsingen van 10 extra goed: 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7, 4 en 6, 5 en 5. Die "vriendjes van 10" heb je nodig voor de brug over 10.
Werk concreet: met tien blokjes, tien vingers of een rekenrek met twee rijen van tien kralen.
Optellen over 10: de brug
Neem 8 + 5. In plaats van verder te tellen, vul je eerst aan tot 10.
- 8 + 2 = 10 (want 2 is het vriendje van 8)
- Van de 5 blijven er nog 3 over.
- 10 + 3 = 13
Deze strategie heet "via 10 rekenen" of de brug over 10. Teken de splitsing van de 5 in een splitsbeen onder de som: dat maakt het denkwerk zichtbaar.
Aftrekken over 10
Neem 14 − 6. Ook hier ga je eerst naar 10.
- 14 − 4 = 10 (eerst de eenheden weg)
- Van de 6 moeten er nog 2 af.
- 10 − 2 = 8
Een tweede strategie is aanvullen: hoeveel moet ik bij 6 doen om 14 te krijgen? 6 + 4 = 10, plus 4 = 14, dus 8. Sommige kinderen vinden dit makkelijker, vooral als de getallen dicht bij elkaar liggen, zoals 13 − 11.
Dubbels en bijna-dubbels
Dubbels onthouden kinderen vaak snel: 5 + 5, 6 + 6, 7 + 7, 8 + 8. Daarmee los je ook bijna-dubbels op: 7 + 8 is één meer dan 7 + 7, dus 15. En 6 + 7 is één meer dan 6 + 6, dus 13. Zo heeft een kind meerdere wegen naar hetzelfde antwoord, wat het rekenen sterker maakt.
Veelgemaakte fouten en tips
- Blijven tellen op de vingers bij elke som. Dat is normaal in het begin, maar stimuleer stap voor stap de strategieën hierboven.
- Eén te veel tellen: bij 8 + 3 beginnen met "8, 9, 10" en uitkomen op 10 in plaats van 11.
- Aftrekken omdraaien: bij 13 − 5 rekenen met 5 − 3. Laat de som hardop voorlezen.
Korte, dagelijkse oefenmomenten van vijf à tien minuten werken beter dan één lange sessie per week.
Oefeningen met oplossingen
- 9 + 6
- 7 + 5
- 8 + 8
- 15 − 7
- 12 − 9
- 17 − 8
- 6 + ... = 13
- ... − 5 = 9
Oplossingen. 1. 15 (9 + 1 = 10, nog 5: 15). 2. 12. 3. 16 (dubbel). 4. 8 (15 − 5 = 10, nog 2 eraf: 8). 5. 3 (aanvullen: van 9 naar 12 is 3). 6. 9. 7. 7. 8. 14. Laat bij elke som de gebruikte strategie benoemen: brug over 10, dubbel of aanvullen.
Het rekenrek en de getallenlijn
Een rekenrek met twee rijen van tien kralen, per vijf in een andere kleur, maakt de brug over 10 zichtbaar. Bij 8 + 5 schuif je eerst 8 kralen, vult de rij aan met 2 en neemt de overige 3 op de tweede rij. Het kind ziet meteen 10 en 3.
Op een getallenlijn tot 20 teken je sprongen: van 8 naar 10, dan naar 13. Later volstaat een lege getallenlijn zonder streepjes. Beide hulpmiddelen helpen om van tellen per één naar rekenen in sprongen te gaan.
De leerlijn in het 1e leerjaar
- Begin van het jaar: tellen, hoeveelheden herkennen en tellen tot 20.
- Eerste trimester: splitsen tot 10 en optellen en aftrekken tot 10.
- Tweede trimester: getallen tot 20, optellen en aftrekken zonder brug (13 + 4, 17 − 5).
- Derde trimester: de brug over 10, dubbels en bijna-dubbels.
In het 2e leerjaar komen getallen tot 100 en hoofdrekenen +9 en −9 erbij, die rechtstreeks op deze basis voortbouwen.
Tips voor ouders
Rekenen tot 20 kun je overal oefenen: in de auto ("Er zitten 4 mensen in, er stappen er 3 bij"), aan tafel ("Hoeveel borden nog, als er 7 liggen en we met 9 zijn?") of tijdens een spel met twee dobbelstenen. Korte, speelse momenten werken beter dan een vel met dertig sommen.
Prijs de strategie, niet alleen het antwoord: "Slim dat je eerst naar 10 ging!" Zo leert je kind dat nadenken belangrijker is dan snel zijn.
Tips voor leerkrachten
Begin elke les met een korte flitsoefening van dobbelsteenbeelden of vingerbeelden. Kinderen leren hoeveelheden herkennen zonder te tellen, wat de basis is voor vlot splitsen. Vijf minuten per dag volstaat.
Laat leerlingen hun eigen sommen bedenken bij een tekening of een verhaal. Wie een som kan maken bij "Er zitten 12 vogels op een draad en er vliegen er 5 weg", begrijpt wat aftrekken betekent, en niet alleen hoe het moet.
Rekenspelletjes voor thuis
- Dobbelsteenrace: gooi met twee dobbelstenen, tel de ogen op en zet een pion zoveel vakjes vooruit. Wie eerst op 20 is, wint.
- Tien maken: leg speelkaarten van 1 tot 9 open. Zoek twee kaarten die samen 10 maken en neem ze weg.
- Raad mijn getal: "Ik denk aan een getal. Als ik er 4 bij doe, krijg ik 11." Je kind zoekt 7.
- Winkeltje: prijsjes tot 20 cent en echt muntgeld. Wat kost een appel en een peer samen? Hoeveel krijg je terug van 20 cent?
Zulke spelletjes duren vijf minuten en oefenen precies wat in de klas aan bod komt. Ze zijn een prima aanvulling op de online spelletjes.
Optellen en aftrekken horen samen
Kinderen leren sneller als ze zien dat optellen en aftrekken familie zijn. Bij 8 + 5 = 13 horen ook 5 + 8 = 13, 13 − 5 = 8 en 13 − 8 = 5. Teken een "rekenhuisje" met 13 op het dak en 8 en 5 in de kamers, en laat het kind de vier sommen erbij schrijven. Wie één som kent, kent er zo meteen vier.
Werkbladen, spelletjes en DYS-versie
Gebruik de werkbladen optellen en de werkbladen aftrekken, met een les, drie niveaus en de oplossingen. Daarna oefent je kind spelenderwijs met het spel optellen en het spel aftrekken.
Heeft je kind dyscalculie of dyslexie? De DYS-werkbladen optellen en aftrekken gebruiken een rustige opmaak en minder opgaven per blad.
Veelgestelde vragen
Wanneer leren kinderen optellen tot 20?
In het 1e leerjaar: eerst optellen en aftrekken tot 10, daarna tot 20, met de brug over 10.
Wat is de brug over 10?
Een strategie waarbij je eerst aanvult tot 10 en dan verder rekent: 8 + 5 = 8 + 2 + 3 = 13.
Mag mijn kind op de vingers tellen?
In het begin wel. Stimuleer daarna splitsen, dubbels en via 10 rekenen, zodat tellen niet de enige strategie blijft.
Wat zijn de vriendjes van 10?
De splitsingen van 10: 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7, 4 en 6, 5 en 5. Ze zijn nodig voor de brug over 10.
Hoe help je een kind dat blijft tellen op de vingers?
Oefen splitsen, dubbels en de brug over 10 met een rekenrek of getallenlijn, zodat het andere strategieën leert naast tellen.
Wat is het verschil tussen optellen tot 10 en tot 20?
Tot 10 blijven alle getallen onder het eerste tiental. Tot 20 moet je vaak over 10 heen, en daarvoor gebruik je de brug over 10.
Hoe weet ik of mijn kind de brug over 10 beheerst?
Als het bij 8 + 5 kan uitleggen dat het eerst 2 bijdoet tot 10 en dan nog 3, zonder op de vingers te tellen.

