Naar de inhoud
FRNL
Home›Artikels›Veelgemaakte rekenfouten en hoe je ze vermijdt

Wiskunde begrijpen · Praktische gids

Veelgemaakte rekenfouten en hoe je ze vermijdt

Sommige rekenfouten komen bij bijna elk kind terug. Wie ze kent, kan ze herkennen, begrijpen en gericht aanpakken.

Ook in het FransLire en français
Mathia, de mascotte van ProfMathia

Begrijpen. Proberen. Uitleggen.

Bijgewerkt op 31 oktober 2026 · 6 minuten lezen

Fouten zijn informatie

Een rekenfout is zelden toeval. Meestal zit er een logische, maar foute redenering achter. Wie de redenering achterhaalt, kan de fout gericht aanpakken. Daarom is het zo belangrijk om bij een fout niet meteen het juiste antwoord te geven, maar te vragen: "Hoe heb je dit gedaan?" Hieronder vind je de fouten die het vaakst voorkomen, met de denkfout erachter en een oplossing.

Fout 1: het kleinste van het grootste aftrekken

52 − 27 = 35. Het kind trekt in elke kolom het kleinste cijfer van het grootste af (7 − 2 = 5). Het begrijpt het lenen niet. Oplossing: werk met staafjes en blokjes, laat een tiental inwisselen en leg uit waarom. Controleer met een optelling: 35 + 27 = 62, niet 52. Lees meer in aftrekken met lenen.

Fout 2: kommagetallen optellen als gehele getallen

0,5 + 0,25 = 0,30. Het kind telt 5 en 25 op. Het begrijpt de plaatswaarde na de komma niet. Oplossing: vul aan met nullen (0,50 + 0,25 = 0,75) of reken met geld: 50 cent plus 25 cent.

Fout 3: een langer kommagetal is groter

3,125 is groter dan 3,5. Het kind vergelijkt 125 met 5. Oplossing: vul aan tot evenveel cijfers na de komma: 3,125 en 3,500. Lees meer in kommagetallen vergelijken.

Fout 4: tellers en noemers optellen

1/2 + 1/3 = 2/5. Het kind telt alles op. Oplossing: teken breukstroken en laat zien dat 2/5 kleiner is dan 1/2, wat onmogelijk is. Maak eerst gelijknamig: 3/6 + 2/6 = 5/6. Lees meer in breuken optellen.

Fout 5: een grotere noemer is een grotere breuk

1/8 is groter dan 1/4. Oplossing: verdeel twee even grote pizza’s in 4 en in 8 stukken en vergelijk één stuk van elk.

Fout 6: herleidingen bij oppervlakte

1 m² = 100 cm². Het kind gebruikt de factor van lengte. Oplossing: teken een vierkant van 1 m op 1 m: dat is 100 cm op 100 cm, dus 10 000 cm². Bij oppervlakte twee kolommen per eenheid, bij inhoud drie.

Fout 7: een uur heeft 100 minuten

Van 9.45 uur tot 10.15 uur is 70 minuten. Het kind rekent 1015 − 945. Oplossing: werk met een tijdlijn: van 9.45 tot 10.00 is 15 minuten, van 10.00 tot 10.15 nog 15, samen 30 minuten. Lees meer in tijdsduur berekenen.

Fout 8: omtrek en oppervlakte verwarren

De oppervlakte van een rechthoek van 5 bij 3 is 16. Het kind telt de zijden op. Oplossing: omtrek is de rand (een draad), oppervlakte is de binnenkant (tegels). Let op de eenheid: cm of cm². Lees meer in omtrek en oppervlakte.

Fout 9: bij vermenigvuldigen met 10 een nul toevoegen

4,5 × 10 = 4,50. Oplossing: de cijfers schuiven één plaats naar links: 45. Gebruik een plaatswaardetabel. Lees meer in vermenigvuldigen en delen door 10, 100 en 1000.

Fout 10: alle getallen uit een vraagstuk gebruiken

Het kind gebruikt elk getal dat in een vraagstuk staat, ook als het overbodig is. Oplossing: begin bij de vraag en bepaal welke gegevens nodig zijn. Lees meer in overbodige en ontbrekende gegevens.

Fout 11: het antwoord niet controleren

Een prijs van 450 euro voor een schrift, een kind van 15 meter groot: zulke antwoorden worden opgeschreven omdat er niet gecontroleerd wordt. Oplossing: leer je kind schatten en de vraag stellen: kan dit kloppen? Lees meer in een antwoord controleren.

Hoe werk je aan fouten?

  1. Vraag hoe je kind tot het antwoord kwam.
  2. Zoek de denkfout.
  3. Ga terug naar concreet materiaal of een tekening.
  4. Laat je kind de juiste werkwijze verwoorden.
  5. Oefen een paar gelijkaardige opgaven.
  6. Herhaal na een week om te zien of het blijft hangen.

Een foutenschrift

Laat oudere kinderen een foutenschrift bijhouden: de fout, de juiste werkwijze en een tip voor zichzelf. Voor een toets lezen ze het schrift opnieuw. Zo worden fouten leerkansen.

Kort samengevat

De meest gemaakte rekenfouten hebben een logische oorzaak: lenen, plaatswaarde na de komma, breuken, herleidingen, tijd, omtrek en oppervlakte, en het niet controleren van antwoorden. Achterhaal de denkfout, ga terug naar concreet en oefen gericht.

Fout 12: verkeerde volgorde van bewerkingen

3 + 4 × 2 = 14. Het kind rekent van links naar rechts. Oplossing: eerst vermenigvuldigen en delen, dan optellen en aftrekken: 3 + 8 = 11. Lees meer in volgorde van bewerkingen.

Fout 13: procenten van de nieuwe prijs

Een trui van 40 euro met 25 % korting kost 10 euro. Het kind geeft de korting als antwoord. Oplossing: laat de vraag opnieuw lezen: wat moet je betalen? 40 − 10 = 30 euro. Lees meer in procenten berekenen.

Fout 14: verkeerd gebruik van de geodriehoek

Bij het meten van hoeken leest het kind de verkeerde schaal af: 120° in plaats van 60°. Oplossing: eerst schatten of de hoek scherp of stomp is, en dan de juiste schaal kiezen.

Fouten per leerjaar

1e en 2e leerjaar: tellen in plaats van splitsen, cijfers omdraaien (12 en 21), de brug over het tiental. 3e en 4e leerjaar: lenen, de maaltafels door elkaar halen, tijdsduur. 5e en 6e leerjaar: kommagetallen, breuken, herleidingen bij oppervlakte en inhoud, procenten. Weet je welke fouten typisch zijn voor het leerjaar van je kind, dan kan je er alert voor zijn.

Slordigheid of begrip?

Niet elke fout is een begripsfout. Soms gaat het om slordigheid: een verkeerd overgeschreven getal, een vergeten eenheid, een rekenfout bij een som die je kind eigenlijk kent. Vraag je kind om de oefening opnieuw te maken, rustig. Lukt het dan wel, dan was het slordigheid; dan helpt een controle achteraf. Lukt het niet, dan is er een begripsprobleem, en moet je terug naar de uitleg.

De rol van schatten

Veel fouten worden opgemerkt door vooraf te schatten. Wie weet dat 48 × 21 ongeveer 1 000 is, schrijft geen 10 080 op. Wie weet dat een schrift een paar euro kost, merkt dat 450 euro niet kan kloppen. Maak van schatten een vaste stap bij elke oefening.

Positief blijven

Benadruk bij het bespreken van fouten altijd wat wel goed ging. Een kind dat zich gesteund voelt, durft fouten te maken en ervan te leren.

Meer lezen

Lees ook een antwoord controleren, moeite met rekenen en opdrachten goed lezen.

Veelgestelde vragen

Wat zijn de meest gemaakte rekenfouten?

Fouten bij lenen, kommagetallen, breuken, herleidingen van oppervlakte, tijdsduur, omtrek en oppervlakte, en het niet controleren van antwoorden.

Hoe help je een kind met rekenfouten?

Vraag hoe het werkte, zoek de denkfout, ga terug naar concreet materiaal en oefen gericht.

Waarom is 0,5 + 0,25 geen 0,30?

Omdat 0,5 vijftig honderdsten is: 0,50 + 0,25 = 0,75.

Waarom is 1 m² geen 100 cm²?

Omdat 1 m² een vierkant is van 100 cm op 100 cm, dus 10 000 cm².

Helpt een foutenschrift?

Ja, door fouten op te schrijven en te herbekijken, worden ze minder vaak herhaald.

Hoe weet je of het slordigheid of een begripsfout is?

Laat de oefening rustig opnieuw maken. Lukt het dan wel, dan was het slordigheid.

Welke fouten zijn typisch voor het 5e en 6e leerjaar?

Fouten met kommagetallen, breuken, herleidingen van oppervlakte en inhoud, en procenten.

Waarom is schatten belangrijk?

Een schatting vooraf helpt om grote fouten meteen op te merken.